Om over na te denken april 2019

Over leven en over lijden

Dat was de titel van het jaarcongres (8 maart j.l.) van Reliëf, christelijke vereniging van zorgaanbieders. Ik werk daar als stafmedewerker en was medeverantwoordelijk voor de organisatie van dit congres waar ruim 200 mensen aan deelnamen. In de folder waarin dit congres wordt aangekondigd was te lezen: “Middenin het leven worden we door de dood omvangen. Mensen zijn sterfelijk en het leven is eindig. En er is geen leven zonder lijden. Ook is er angst voor lijden. In de samenleving – en dus ook binnen de zorg – worden verschillende antwoorden gegeven op de vraag hoe we omgaan met lijden en het besef van eindigheid. Een van de antwoorden is het voorkomen van verder lijden. Welke betekenis geven wij aan het eindige mensenleven en aan lijden dat daarin aanwezig is? Welke ankers zijn er in een tijd van schijnbaar grenzeloze (medische) mogelijkheden?”
Verschillende inleidsters (allemaal vrouwen, internationale vrouwendag 😊) reikten waardevolle inzichten aan en er waren vele workshops én een theatervoorstelling. Wat mij vooral raakte waren woorden van zuster Holkje van der Veer, een dominicanes. Ze was deze keer niet in habijt, maar ‘in burger’ en sprak vol liefde en passie over de betekenis van de kerk in het omgaan met haar handicap en de confrontatie met lijden in haar leven.
Holkje leeft al vanaf haar geboorte met een handicap: de ziekte van Marfan. De voorspellingen waren dat ze niet ouder dan 5 – 6 jaar zou worden, maar ze is er nóg en inmiddels bijna 60.
Ze vertelde hoe zij gaandeweg haar leven aan het ‘oefenen’ is gegaan en lessen heeft geleerd in het omgaan met lijden.
Ik citeer uit haar toespraak:
“Ik neem u mee, naar één van mijn meest intense momenten in het leven met Marfan. Een crisissituatie, waarin ik onverwacht antwoord moest geven op een fundamentele vraag.
Ik was veertig, met mijn gezondheid ging het tot op dat moment al jaren lang goed. Omdat ik deelnam aan een wetenschappelijk onderzoek,- medicijnen ter voorkoming van hartklachten bij Marfan patiënten -, stapte ik zonder enige argwaan of vermoeden dat er wat mis zou kunnen zijn – in de MRI scan. Een aneurysma in mijn borstkast werd gevonden. Ik diende mij in het ziekenhuis te melden. Een operatie aan de aorta was noodzakelijk. (…) Minder dan 24 uur voor de ingreep, ergens in de middag, kwam de chirurg met forse schreden, wat gehaast in zijn wapperende witte jas, mijn kamer binnen. ‘Ik wil u nog even spreken’, waren zijn openingswoorden. (…)
‘Stel’ zei hij, de operatie loopt niet zoals wij hopen – hij durfde mij op dat moment niet aan te kijken – Er is een mogelijkheid dat u met een hoge dwarslaesie wakker wordt – het viel even stil- of wilt u dan dat wij u helpen om te sterven?
Oef, deze had ik niet aan zien komen.
De verbinding tussen mijn beide hersenhelften maakte kortsluiting. Hoe of wat moest ik hierop antwoorden? (…) Denkt u, dat u en uw team het kan? Ben ik in dit ziekenhuis en bij u in goede handen?
De arts keek mij aan en begon uit te leggen dat ik op dat moment op één van de meest hoogwaardige top centra van Nederland was, en dat hij niet het idee had dat iemand anders het beter zou kunnen. Hij en zijn team hadden ‘mijn geval’ bestudeerd, besproken en waren zo goed mogelijk voorbereid. Iedereen stond voor mij klaar en voor de zekerheid, in noodgeval, stonden er nog meer deskundigen op stand-by.
Zijn woorden, deden mijn vertrouwen toenemen. (…)
“Doe die dwarslaesie maar, dood kan altijd nog”, was mijn onvergetelijke antwoord.
Ik vervolgde: ”Ik heb vrienden en familie, ik weet dat er van mij gehouden wordt.
Ik weet dat zij mij niet in de steek zullen laten, ook niet als ik straks verlamd verder moet.“
Het antwoord dat ik gaf kwam, spontaan, niet voorbereid ergens uit mijn tenen, uit mijn onderbewuste, uit mijn hart vandaan. Een diep besef: er wordt van mij gehouden. Dood kan altijd nog.”
Haar grote ontdekking was hoe belangrijk een ‘wij’ is als er lijden is. Dat er mensen zijn die van je houden. Dat er een God is die van je houdt. Dat je je zo gedragen kunt weten in het leven, hoezeer dat ook getekend wordt door ziekte en lijden.
En Holkje vervolgde:
“ ‘God’ en de kerk, lijken steeds meer uit ons leven, zowel binnen als buiten een zorginstelling verdwenen te zijn. Daar zijn vele redenen voor. Ik vind dat jammer. Volgens mij hebben we collectief behoefte aan ankerpunten, een leerschool voor het leven. Daarbij hebben we elkaar hard nodig. Voor mij is de kerk zo’n ankerplaats. Ik ben een zuster en kerkelijk actief. Ik woon in de nabijheid van mijn medezusters, dagelijks zijn er in de kapel momenten van stilte, bezinning en gebed. Ik lees psalmteksten en al biddend verbind ik mij met een wereld die groter is dan mijzelf, en verder rijkt dan het hier en nu.
De kerk, de verhalen en de liturgie leren mij dat leven en sterven, loslaten en opnieuw beginnen, aandacht vragen en bij elkaar horen. En juist zoiets moeilijks hoeven wij, niet alleen te doen. We hebben elkaar en God, de Ene, die de dragende is, de altijd aanwezige.
(…)Ik pleit voor plaatsen waar we ons kunnen oefenen in gemeenschapsvorming, Waar we samen zoeken naar wat wijsheid is en wat ons in bange dagen troost geeft. Ik pleit voor een zoektocht, en ook naar een herwaardering van de kerk – als een collectieve oefenplaats, waar we op de gewone dagen terecht kunnen.”
Deze woorden hebben mij aan het denken gezet. Als baptisten gemeente Den Haag zijn we ‘klein en vergrijsd’. Zo typeren we onze gemeente dikwijls. Maar kunnen we daarom niet bij uitstek een ‘oefenplaats’ en een ‘ankerplaats’ zijn voor mensen die ‘door de dood omvangen’ worden, die leven met lijden en verlies? We zijn allemaal ‘ervaringsdeskundigen’, evenals zuster Holkje.
Wat is ons houvast als het gaat om vragen over leven en dood? Welke betekenis heeft de gemeente daarbij? En zouden we niet méér met elkaar moeten oefenen in het gesprek daarover?
In de kerk vieren we deze maand de ‘lijdenstijd’, Goede Vrijdag en Pasen. Wat betekent dat voor ons alledaagse, eindige leven?
Om over na te denken….

Wout Huizing